zaterdag 17 maart 2012

W

Gister met een hyperextravert meisje van middelbare leeftijd, 'W', afgesproken bij de Boterwaag.
Als je buiten bij de Boterwaag zit wordt je altijd overspoeld met bedelaars. Ik wil daar in principe niks aan geven. Ik vind het ongepast om mij zo voor het blok te zetten, ik vind geven zielig voor de bedelaars die niet zo brutaal zijn.
Bedelaar nummer één had ik dus weggestuurd. Met bedelaar twee knoopte W een gesprek aan. Bedelaar twee was dat ene vrouwtje met een turquoise hoofddoekje. W vroeg haar of ze ook uit het noorden kwam, want dat hoorde ze aan haar accent. W komt ook uit het noorden, vertelde ze (eigenlijk uit Drente). Daarna filosofeerde W tegen de bedelaarster en mij over of ze nu wel of niet moest geven. 'Ja, want dan heb ik vanavond een slaapplaats', was het antwoord in een dik noordnederlands accent. 'Ja, maar op de langer termijn helpt het je misschien juist niet', verduidelijkte W.
Hier schaamde ik mij inmiddels dood, dus ik gaf de bedelaarster 50 cent, W gaf nog meer kleingeld.
De plaatsvervangende schaamte bleek onterecht. De noordelijke bedelaarster nam afscheid en deelde ons mede dat zij ook wel van een gesprekje hield en ze vertrouwde mij toe dat ik 'daar een leuk vrouwtje had'.
Aan de bedelaarster die een half uur later verscheen, een piepklein, krom, oosters vrouwtje, probeerde W uit te leggen dat ze leek op een figuur uit de sprookjes die ze haar dochter voorleest ('op een heks' zei ze nog net niet). Die bedelaarster gaf ik dus ook prompt wat kleingeld. Voordat dat gesprek nog interessanter werd, veegde het personeel het vrouwtje van het terras af.